Woordenlijst A2 voor het inburgeringsexamen

Dit is de gratis woordenlijst van tulli: 380 woorden in 11 thema’s. Bij elk woord staat het lidwoord (de of het), de Engelse vertaling en een korte voorbeeldzin.

De woorden komen uit de lessen en oefenexamens van tulli en uit het dagelijks leven: dokter, werk, wonen, geld en winkelen. In de app oefen je ze met flitskaarten en kun je ze horen.

FlitskaartenAlle lessen

Gezondheid

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
het lichaamthe bodySporten is goed voor je lichaam.
het hoofdthe headMijn hoofd doet pijn.
de buikthe belly, the stomachNa het eten doet mijn buik pijn.
de rugthe backIk heb last van mijn rug.
de armthe armHij heeft zijn arm gebroken.
het beenthe legMijn been is dik en blauw.
de voetthe footIk loop veel en mijn voeten zijn moe.
het oogthe eyeMijn ogen zijn rood en droog.
het oorthe earMijn dochter heeft pijn in haar oor.
de tandthe toothPoets twee keer per dag je tanden.
de keelthe throatIk heb een zere keel.
de pijnthe painWaar heeft u pijn?
pijn doento hurtMijn knie doet pijn bij het lopen.
de hoofdpijnthe headacheIk heb hoofdpijn van het lawaai.
de buikpijnthe stomachacheMijn zoon heeft buikpijn en eet niet.
de griepthe fluHij ligt met griep in bed.
verkoudenhaving a coldIk ben verkouden en moet steeds niezen.
hoestento coughMijn dochter hoest al een week.
gezondhealthyFruit is gezond.
zich voelento feelIk voel me niet zo goed.
beter wordento get betterIk hoop dat je snel beter wordt.
de dokterthe doctorDe dokter luistert naar mijn hart.
de patiëntthe patientDe patiënt wacht in de wachtkamer.
het ziekenhuisthe hospitalMijn moeder ligt in het ziekenhuis.
de verpleegkundigethe nurseDe verpleegkundige meet mijn bloeddruk.
de pilthe pillNeem één pil na het eten.
innemento take (medicine)Je moet de tabletten met water innemen.
de wondthe woundDe wond moet schoon blijven.
bloedento bleedZijn neus bloedt.
vallento fallMijn opa is van de trap gevallen.
gebrokenbrokenDe dokter zegt dat mijn pols gebroken is.
de temperatuurthe temperatureIk meet de temperatuur van mijn zoon.
rokento smokeRoken is slecht voor je longen.
de controlethe check-upIk moet over een maand terug voor controle.
het gewichtthe weightDe verpleegkundige meet het gewicht van de baby.
de ziektethe illness, the diseaseDeze ziekte is niet gevaarlijk.

Werk

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
het werkthe workIk ga met de fiets naar mijn werk.
werkento workMijn vrouw werkt in een ziekenhuis.
de werknemerthe employeeHet bedrijf heeft twintig werknemers.
de werkgeverthe employerMijn werkgever betaalt de reiskosten.
de baasthe bossIk vraag het aan mijn baas.
de klantthe customerDe klant wil met de chef praten.
het beroepthe professionWat is uw beroep?
verdienento earnHij verdient genoeg om de huur te betalen.
het kantoorthe officeIk werk drie dagen op kantoor.
de fabriekthe factoryMijn buurman werkt in een fabriek.
de werkplekthe workplaceHoud je werkplek netjes.
de werkdagthe working dayMijn werkdag begint om acht uur.
de kantinethe canteenWe lunchen samen in de kantine.
het teamthe teamOns team heeft elke maandag overleg.
de taakthe taskElke collega heeft een eigen taak.
de schoonmakerthe cleanerDe schoonmaker komt na vijf uur.
de chauffeurthe driverMijn broer is chauffeur bij een busbedrijf.
de kokthe cookDe kok maakt het eten klaar.
de kapperthe hairdresserMijn zus werkt als kapper.
de winkelmedewerkerthe shop assistantDe winkelmedewerker vult de schappen.
de nachtdienstthe night shiftNa een nachtdienst slaap ik overdag.
vrij hebbento have time offOp woensdag heb ik vrij.
vrij vragento ask for time offIk wil een dag vrij vragen.
de overurenthe overtimeDeze week maak ik veel overuren.
de werkkledingthe work clothesJe krijgt werkkleding van het bedrijf.
de helmthe helmet, the hard hatOp de bouw draag je altijd een helm.
aannemento hire; to acceptHet bedrijf neemt nieuwe mensen aan.
ontslaanto dismiss, to fireHij is niet ontslagen, hij is zelf gestopt.
invullento fill inVul dit formulier in met een pen.
de computerthe computerIk werk de hele dag achter de computer.
de printerthe printerDe printer doet het weer niet.
het werkoverlegthe team meetingHet werkoverleg is op dinsdag.
de uitzendkrachtthe temp workerAls uitzendkracht werk ik steeds ergens anders.

Wonen

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
het huisthe houseOns huis heeft drie kamers.
het appartementthe apartmentWe wonen in een appartement op de derde verdieping.
de flatthe block of flats; the flatIn onze flat is een lift.
de keukenthe kitchenWe eten meestal in de keuken.
de badkamerthe bathroomDe badkamer is boven.
de slaapkamerthe bedroomDe kinderen hebben elk een slaapkamer.
de woonkamerthe living roomDe bank staat in de woonkamer.
het toiletthe toiletHet toilet is naast de voordeur.
de tuinthe gardenIn de zomer zitten we in de tuin.
de deurthe doorDoe de deur op slot.
het raamthe windowMag het raam open?
de trapthe stairsDe trap naar boven is smal.
de vloerthe floorDe vloer is nat, pas op.
de tafelthe tableZet de borden op tafel.
de stoelthe chairEr staan zes stoelen om de tafel.
het bedthe bedMijn bed is te kort.
de kastthe cupboard, the wardrobeDe handdoeken liggen in de kast.
de lampthe lamp, the lightDe lamp in de gang is kapot.
de verwarmingthe heatingZet de verwarming wat hoger.
het gasthe gasWe koken op gas.
het waterthe waterHet water is te koud om te douchen.
de huurwoningthe rented homeWe zoeken een grotere huurwoning.
de koopwoningthe owner-occupied homeEen koopwoning is erg duur.
de huiseigenaarthe homeownerDe huiseigenaar regelt het onderhoud.
hurento rentWe huren dit huis al vijf jaar.
verhuizento move houseVolgende maand verhuizen we naar Utrecht.
de verhuizingthe moveMijn vrienden helpen bij de verhuizing.
de buurtthe neighbourhoodIn onze buurt is een grote speeltuin.
de straatthe streetIn mijn straat staan veel bomen.
de voordeurthe front doorDe sleutel ligt onder de mat bij de voordeur.
de belthe doorbellDe bel doet het niet, klop maar.
de brievenbusthe letterboxEr zit een brief in de brievenbus.
schoonmakento cleanOp zaterdag maken we het huis schoon.
de afwasthe dishesWie doet vanavond de afwas?
de wasmachinethe washing machineDe wasmachine maakt veel lawaai.
opbergento put awayBerg je speelgoed maar op.

Onderwijs

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
de leraarthe teacherDe leraar legt de les uit.
de docentthe teacher (adults, secondary)Mijn docent Nederlands is erg geduldig.
de meesterthe (male) primary school teacherMeester Jan leest een verhaal voor.
de studentthe studentDe student woont op een kamer.
de lesthe lesson, the classDe les begint om negen uur.
de taallesthe language classIk heb twee keer per week taalles.
de taalschoolthe language schoolDe taalschool is vlakbij het station.
lerento learnIk leer elke dag tien nieuwe woorden.
studerento studyMijn zus studeert in Amsterdam.
lezento readMijn zoon leest graag strips.
schrijvento writeKun je je naam hier schrijven?
oefenento practiseWe oefenen samen voor het examen.
het woordthe wordDit woord ken ik niet.
het woordenboekthe dictionaryZoek het woord op in het woordenboek.
het schriftthe exercise bookSchrijf de zinnen in je schrift.
de penthe penMag ik je pen even lenen?
het potloodthe pencilTeken het huis met een potlood.
de schooltasthe schoolbagZijn de boeken al in je schooltas?
de pauzethe breakIn de pauze eten de kinderen fruit.
de gymlesthe PE classNeem je sportschoenen mee voor de gymles.
het examenthe examVolgende week doe ik examen.
slagento pass (an exam)Ik hoop dat ik slaag voor mijn examen.
zakkento fail (an exam)Hij is gezakt en doet het opnieuw.
het diplomathe diplomaMet dit diploma kun je verder leren.
de opleidingthe training, the course of studyZe volgt een opleiding tot verpleegkundige.
de kleuterthe toddler (aged four to six)Mijn dochter is een kleuter van vier.
ophalento pick upIk haal de kinderen om drie uur op.
brengento bring, to takeMijn man brengt de kinderen naar school.
de vakantiethe holidayIn de vakantie gaan we naar mijn ouders.
begrijpento understandIk begrijp de vraag niet.
de foutthe mistakeVan een fout kun je leren.
de directeurthe head teacher, the directorDe directeur van de school belt mij.

Geld

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
het geldthe moneyIk heb niet genoeg geld bij me.
de eurothe euroEen brood kost ongeveer drie euro.
de centthe centHet kost vijftig cent.
betalento payKan ik hier met mijn pas betalen?
de bankthe bankIk heb een afspraak bij de bank.
het rekeningnummerthe account numberWat is uw rekeningnummer?
de pasthe card (bank card)Ik ben mijn pas kwijt.
sparento save (money)We sparen voor een nieuwe auto.
lenento borrow; to lendKan ik tien euro van je lenen?
de schuldthe debtHij wil zijn schulden snel betalen.
het inkomenthe incomeOns inkomen is niet zo hoog.
het salaristhe salaryMijn salaris komt aan het eind van de maand.
de uitkeringthe benefit (payment)Hij krijgt een uitkering omdat hij ziek is.
duurexpensiveDie fiets is te duur voor mij.
goedkoopcheapDe markt is vaak goedkoper dan de winkel.
het budgetthe budgetWe hebben een klein budget voor eten.
uitgevento spendHoeveel geef je uit aan boodschappen?
de bonthe receiptBewaar de bon goed.
de geldautomaatthe cash machine (ATM)Ik haal geld uit de geldautomaat bij de supermarkt.
betaaldpaidIs de rekening al betaald?
de machtigingthe direct debit authorisationMet een machtiging betaal je elke maand automatisch.
het abonnementthe subscriptionIk zeg mijn abonnement op de krant op.
de verzekeringthe insuranceHeb je een verzekering voor je fiets?
opzeggento cancel (a contract)Ik wil mijn telefoonabonnement opzeggen.
de betalingthe paymentDe betaling is gelukt.
de muntthe coinHeb je een munt voor het winkelwagentje?
de bankrekeningthe bank accountMijn salaris komt op mijn bankrekening.

Vervoer

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
de busthe busDe bus naar het centrum komt elke tien minuten.
de treinthe trainDe trein naar Utrecht vertrekt om vijf over negen.
de tramthe tramNeem de tram tot het centraal station.
de metrothe underground, the metroMet de metro ben je er snel.
de autothe carWe gaan met de auto naar mijn ouders.
de taxithe taxiIk bel een taxi naar het vliegveld.
het stationthe stationIk wacht op je bij het station.
de bushaltethe bus stopDe bushalte is om de hoek.
het kaartjethe ticketIk koop een kaartje bij de automaat.
instappento get on, to get inBij deze bus stap je voorin in.
vertrekkento leave, to departHoe laat vertrekt de bus?
aankomento arriveWe komen om drie uur in Rotterdam aan.
op tijdon timeDe trein is gelukkig op tijd.
fietsento cycleIk fiets elke dag naar mijn werk.
rijdento drive, to rideMijn vrouw rijdt in een kleine auto.
lopento walkHet is tien minuten lopen naar school.
de wegthe road; the wayWeet u de weg naar het station?
het verkeerthe trafficEr is veel verkeer op de snelweg.
het stoplichtthe traffic lightWacht bij het rode stoplicht.
het kruispuntthe crossroadsGa bij het kruispunt rechtsaf.
de snelwegthe motorwayOp de snelweg rijd je hard.
parkerento parkJe mag hier niet parkeren.
de parkeerplaatsthe parking space, the car parkEr is geen parkeerplaats meer vrij.
het tankstationthe petrol stationBij het tankstation koop ik koffie.
de ingangthe entranceDe ingang is aan de achterkant.
de uitgangthe exitWaar is de uitgang?
de richtingthe directionWelke bus gaat in de richting van het ziekenhuis?
de kaartthe mapKijk even op de kaart.
verfarIs het ver naar de markt?
dichtbijclose by, nearbyDe supermarkt is dichtbij.
de reisthe journey, the tripDe reis duurt twee uur.
het vliegtuigthe aeroplaneMet het vliegtuig ben je er snel.

Winkelen

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
de winkelthe shopDe winkel gaat om zes uur dicht.
kopento buyIk koop brood bij de bakker.
verkopento sellHij verkoopt zijn oude fiets.
de marktthe marketOp zaterdag is er markt op het plein.
de bakkerthe bakerDe bakker heeft vers brood.
de slagerthe butcherIk haal vlees bij de slager.
de drogistthe chemistShampoo koop ik bij de drogist.
de verkoperthe shop assistant, the sellerDe verkoper helpt mij met een maat.
het winkelcentrumthe shopping centreIn het winkelcentrum is een grote supermarkt.
het broodthe breadWil je een bruin of een wit brood?
de melkthe milkDe melk is op, ik haal nieuwe.
de kaasthe cheeseIk wil graag een stuk jonge kaas.
het vleesthe meatWij eten geen vlees.
de visthe fishOp vrijdag eten we vis.
de groentethe vegetablesGroente van de markt is vers.
het fruitthe fruitIk neem elke dag fruit mee naar mijn werk.
de appelthe appleEen kilo appels, graag.
het eithe eggIk bak een ei voor het ontbijt.
de rijstthe riceWe eten rijst met kip.
de kilothe kiloEen kilo aardappels kost twee euro.
het pakthe carton, the packIk koop een pak melk.
de flesthe bottleEen fles water, alstublieft.
de klerenthe clothesIk koop mijn kleren vaak online.
de broekthe trousersDeze broek is te lang.
de jasthe coatIn de winter draag ik een dikke jas.
de sokthe sockIk koop een pak sokken voor mijn zoon.
de maatthe sizeHeeft u deze trui in een grotere maat?
kiezento chooseIk kan niet kiezen tussen rood en blauw.
nodig hebbento needIk heb nog eieren nodig.
de uitverkoopthe saleIn de uitverkoop is alles goedkoper.
openopenIs de winkel op zondag open?
het boodschappenlijstjethe shopping listIk ben mijn boodschappenlijstje vergeten.
het winkelwagentjethe shopping trolleyVoor een winkelwagentje heb je een munt nodig.

Contact

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
de vriendthe friend (male)Mijn vriend woont in Den Haag.
de vriendinthe friend (female); the girlfriendIk ga met een vriendin koffie drinken.
de familiethe family, the relativesMijn familie woont in Turkije.
de manthe man; the husbandMijn man werkt bij de gemeente.
de vrouwthe woman; the wifeZijn vrouw komt uit Syrië.
het kindthe childHoeveel kinderen heeft u?
de zoonthe sonOnze zoon is tien jaar.
de dochterthe daughterMijn dochter zit in groep drie.
de vaderthe fatherMijn vader woont nog in Marokko.
de moederthe motherIk bel elke zondag met mijn moeder.
de zusthe sisterMijn zus is ouder dan ik.
de opathe grandfatherOpa komt op mijn verjaardag.
de omathe grandmotherOma bakt een taart voor ons.
getrouwdmarriedWij zijn al tien jaar getrouwd.
de verjaardagthe birthdayMijn verjaardag is in mei.
jarig zijnto have your birthdayMorgen ben ik jarig.
het cadeauthe presentIk koop een cadeau voor mijn zus.
bezoekento visitIn het weekend bezoeken we mijn oom.
het bezoekthe visit; the visitorsWe krijgen vanavond bezoek.
langskomento drop byKom je morgen even langs?
bellento call (phone)Ik bel je vanavond.
de telefoonthe phoneMijn telefoon is leeg.
het berichtthe messageIk stuur je een bericht.
de e-mailthe emailIk krijg veel e-mails van school.
antwoordento answerHij antwoordt niet op mijn bericht.
kennento know (a person)Ken jij onze nieuwe buurvrouw?
voorstellento introduceMag ik mij even voorstellen?
pratento talkWe praten vaak over onze kinderen.
helpento helpKan ik u helpen?
de hulpthe helpBedankt voor je hulp.
aardigkind, friendlyOnze buren zijn erg aardig.
welkomwelcomeWelkom in ons huis!
bedankento thankIk wil u bedanken voor alles.
het buurthuisthe community centreIn het buurthuis is een koffieochtend.
de sportclubthe sports clubMijn zoon zit op een sportclub.
kletsento chatWe kletsen even bij de schooldeur.

Elke dag

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
hallohelloHallo, ik ben Sara uit Breda.
tot ziensgoodbyeBedankt voor uw hulp, tot ziens.
alstublieftplease; here you are (polite)Een kopje koffie, alstublieft.
dank je welthank you (informal)Dank je wel voor het mooie cadeau.
sorrysorrySorry, ik ben de tijd vergeten.
pardonexcuse me; pardon?Pardon, mag ik er even langs?
graaggladly; pleaseIk wil graag een glas water.
jayesJa, dat is goed.
neenoNee, ik heb geen tijd.
misschienmaybeMisschien kom ik morgen even langs.
natuurlijkof courseNatuurlijk mag je mijn fiets lenen.
altijdalwaysIk drink altijd thee bij het ontbijt.
nooitneverMijn vader rookt nooit.
vaakoftenWe gaan vaak naar het park.
somssometimesSoms neem ik de bus naar mijn werk.
meestalusuallyMeestal kook ik zelf.
meteenimmediately, right awayBel mij meteen als je er bent.
straksin a moment, laterIk doe de afwas straks.
nunowIk heb nu geen tijd.
alalreadyBen je al klaar met eten?
nogstill; yetMijn zoon slaapt nog.
ookalso, tooMijn vrouw komt ook mee.
samentogetherZullen we samen koken?
alleenalone; onlyMijn oma woont alleen.
iedereeneveryoneIedereen is welkom op het feest.
niemandnobodyEr is niemand thuis.
ietssomethingWil je iets drinken?
nietsnothingIk heb vandaag niets gegeten.
hierhereKom maar hier zitten.
daarthereDaar is de ingang.
buitenoutsideDe kinderen spelen buiten.
linksleftDe wc is links.
naastnext toDe bakker zit naast de slager.
tussenbetweenIk zit tussen mijn twee broers.
goedgood; wellHet eten is heel goed.
slechtbadIk heb slecht geslapen.
grootbigOns huis heeft een grote tuin.
kleinsmallDe keuken is erg klein.
nieuwnewIk heb een nieuwe telefoon.
oudoldDeze jas is al oud.
mooibeautiful, niceWat een mooie bloemen!
leukfun, niceHet feest was erg leuk.
makkelijkeasyDeze oefening is makkelijk.
moeilijkdifficultNederlands leren is soms moeilijk.
belangrijkimportantDeze brief is belangrijk.
drukbusyHet is druk in de stad.
blijhappy, gladIk ben blij met mijn nieuwe baan.
moetiredNa het werk ben ik moe.
honger hebbento be hungryIk heb honger, wanneer eten we?
de regenthe rainDoor de regen blijf ik binnen.
de zonthe sunDe zon schijnt vandaag.
koudcoldHet is koud, doe je jas aan.
warmwarm, hotIn de zomer is het warm.
het ontbijtthe breakfastIk eet brood bij het ontbijt.
het weerberichtthe weather forecastVolgens het weerbericht gaat het morgen regenen.
slapento sleepDe baby slaapt in zijn bed.
het nieuwsthe newsIk kijk elke avond naar het nieuws.
de krantthe newspaperMijn buurman leest elke ochtend de krant.

Nederland

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
het landthe countryNederland is een klein land.
de stadthe city, the townIk woon in een grote stad.
het dorpthe villageMijn schoonouders wonen in een dorp.
het gemeentehuisthe town hallIk haal mijn paspoort op bij het gemeentehuis.
de politiethe policeBij gevaar bel je de politie.
de bibliotheekthe libraryIn de bibliotheek kun je gratis lezen.
de kerkthe churchDe kerk staat midden in het dorp.
de moskeethe mosqueOp vrijdag gaat hij naar de moskee.
de taalthe languageNederlands is een moeilijke taal.
NederlandsDutch (language; adjective)Ik spreek een beetje Nederlands.
de Nederlanderthe Dutch personVeel Nederlanders fietsen naar hun werk.
de regelthe ruleIn Nederland zijn veel regels.
verbodenforbiddenRoken is hier verboden.
toegestaanallowedHonden zijn hier niet toegestaan.
het buitenlandabroadMijn broer woont in het buitenland.

Getallen

NederlandsEngelsVoorbeeldzin
de dagthe dayEen week heeft zeven dagen.
de weekthe weekIk werk drie dagen per week.
het jaarthe yearIk woon al vier jaar in Nederland.
het uurthe hour; o'clockDe winkel gaat om negen uur open.
het kwartthe quarterHet is kwart over drie.
halfhalfWe beginnen om half acht.
de tijdthe timeHeb je even tijd?
de klokthe clockDe klok in de keuken loopt voor.
vandaagtodayVandaag ben ik vrij.
morgentomorrowMorgen ga ik naar de markt.
gisterenyesterdayGisteren was ik ziek.
de ochtendthe morningIn de ochtend breng ik de kinderen weg.
de middagthe afternoonIn de middag doe ik boodschappen.
de avondthe eveningIn de avond kijk ik televisie.
de nachtthe nightDe baby huilt vaak in de nacht.
vroegearlyIk sta vroeg op.
laatlateHoe laat is het?
maandagMondayOp maandag heb ik taalles.
dinsdagTuesdayDinsdag is de bibliotheek gesloten.
woensdagWednesdayOp woensdag zijn de kinderen vroeg vrij.
donderdagThursdayDonderdag komt de monteur.
vrijdagFridayVrijdag eten we samen.
zaterdagSaturdayOp zaterdag ga ik zwemmen.
zondagSundayOp zondag zijn veel winkels dicht.
het weekendthe weekendWat doe je dit weekend?
januariJanuaryIn januari is het vaak koud.
februariFebruaryMijn zoon is in februari geboren.
maartMarchIn maart begint de lente.
aprilAprilIn april is het vaak nat.
meiMayIn mei zijn veel feestdagen.
juniJuneIn juni zijn de dagen lang.
juliJulyDe zomervakantie begint in juli.
augustusAugustIn augustus gaan we op vakantie.
septemberSeptemberDe school begint weer in september.
oktoberOctoberIn oktober vallen de bladeren.
novemberNovemberIn november is het donker en nat.
decemberDecemberIn december is het druk in de winkels.
de helftthe halfDe helft van de klas is ziek.
eerstefirstDit is mijn eerste les.
laatstelastOp de laatste dag van de maand krijg ik salaris.
elkeevery, eachIk loop elke dag een half uur.
de leeftijdthe ageWat is de leeftijd van uw kinderen?

Klaar om te oefenen?

Oefenexamen 1 is gratis, zonder account. Je ziet meteen je score en de uitleg bij elk antwoord.

FlitskaartenAlle lessen